Waarom pas weg met 12/13 weken

Waarom een kitten niet op 6-8 weken bij de moeder weg kan....

Zo'n tien tot twintig jaar geleden was het de gewoonste zaak van de wereld    wanneer rasloze kittens op een leeftijd van zes of acht weken naar de nieuwe eigenaar gingen.  De inzichten hieromtrent zijn echter veranderd. Raskattenverenigingen eisen dat  een kitten minstens dertien of zelfs veertien weken oud moet zijn. En, zo is gebleken, dat doen ze niet voor niets.

   Hoewel veel mensen tegenwoordig wel weten dat een kitten van zes of acht weken nog veel te jong is om op eigen pootjes te staan, zijn er misschien wel evenveel mensen die een dergelijke jonge leeftijd niet als een bezwaar zien. Wanneer een kitten harde brokjes kan eten en zelf de kattenbak kan vinden, zo denken ze, is het zelfstandig genoeg.

   En vervolgens worden kittens die daar nog helemaal niet aan toe zijn aan nieuwe eigenaars meegegeven. Soms gaat dat wonderbaarlijk goed -'uitzonderingen bevestigen de regel', maar helaas ontaardt het vaker in allerhande gedragsproblemen. In het meest positieve geval leert de eigenaar omgaan met de nukken van de kat, maar vaker wordt het weerbarstige dier afgestaan of komt het in een asiel terecht waar het door zijn achterstand met moeite een nieuw tehuis zal kunnen vinden. Misschien is dit wel een van de redenen waarom er zoveel rasloze katten in het asiel belanden en raskatten slechts mondjesmaat?
   De regel die kattenverenigingen ten aanzien van de bij hen aangesloten fokkers hanteren, namelijk dat deze kittens niet mogen afstaan voor ze twaalf tot dertien weken oud zijn, heeft namelijk niets te maken met een eventueel verschil in vitaliteit tussen rasloze en raskittens -dat is er namelijk niet. De voornaamste reden om een kitten niet op een te jonge leeftijd over te plaatsen heeft namelijk niets van doen met vitaliteit, zindelijkheid en zelf kunnen eten, maar alles met de geestelijke en sociale ontwikkeling van kittens.

   Opdoen van sociale vaardigheden
Door te spelen met nestzusjes en -broertjes leren kittens in het nest waardevolle  lessen.
Het stoeien en de (schijn)gevechten die ze voeren hebben een belangrijke functie voor hun sociale ontwikkeling. Ze leren waar hun grenzen liggen en voelen op zijn tijd ook aan den lijve dat het gewoonweg zeer doet als je te hard bijt of krabt. Moederpoes heeft in deze ontwikkeling ook een belangrijke invloed, want zij is de sterkste van het stel en is als enige goed in staat om een kitten, soms op een niet zachtzinnige wijze, te corrigeren wanneer hij over de schreef gaat. Kittens van zes of zeven weken zitten nog volop in dit proces, en zijn nog lang niet uitgeleerd. Daarom zie je vaak bij kittens die veel te jong van
hun moeder af zijn gehaald, en ook bij flessenkittens die afgezonderd van nestgenootjes en moederpoes zijn grootgebracht, dat ze moeite hebben met grenzen. Ze bijten en krabben te hard tijdens het spelen met ‘hun' mensen en hebben daarbij ook moeite om zich aan te passen aan de normale sociale regels die katten onderling hanteren.


   Kiezen tussen twee kwaden
Er zijn mensen die denken dat oudere kittens grotere aanpassingsproblemen hebben als ze worden geplaatst, dan jonge kittens. Het omgekeerde is echter waar. Door de opgedane ervaringen hebben oudere kittens hun grenzen leren kennen en staan ze ook zekerder in het leven. Voorwaarde hiervoor is natuurlijk wel dat ze een goede basis hebben gehad. Wanneer je bijvoorbeeld een kitten hebt uitgezocht in een nestje dat verwaarloost wordt, of een kitten van een (half)wilde moeder van een boerderij mee naar huis wilt nemen, is het vaak verstandiger om juist níet te wachten tot het kitten twaalf weken oud is.
Het zal dan namelijk in zijn vroege jeugd veel verkeerde en negatieve indrukken opdoen; verwaarlozing of zelfs mishandeling door mensen in zijn vroege jeugd kan het kitten een leven lang wantrouwend of angstig ten op zichte van mensen maken. Een (half)wilde moeder zal haar kittens bovendien leren dat ze zoveel mogelijk uit de buurt moeten blijven van mensen, waardoor het kitten op latere leeftijd mensen als ‘enge' wezens zal gaan zien. Bovendien worden kittens op dergelijke adressen zelden ontwormd of ingeënt. Je doet er in zo'n geval dan ook beter aan om het kitten dan maar wat te vroeg mee te nemen, zodat je het zelf kunt laten enten en proberen het dier op te voeden. Desondanks blijft dit kiezen tussen twee kwaden, want een ideale start is het geen van beiden. Wil je graag een vriendelijke en stabiele kat, dan doe je er het beste aan om een kitten uit te zoeken van een evenwichtige moederpoes die gesteld is op mensen en dat ook overbrengt op haar kittens. Wanneer de moederpoes en haar kittens dan ook nog een liefdevolle verzorging genieten en de kittens niet voor hun twaalfde levensweek hoeven te verhuizen, ben je er vrijwel van verzekerd dat het kitten zal opgroeien tot een geestelijk stabiele kat waarbij probleemgedrag zelden de kop op zal steken.

   NB: Dit artikel is eerder verschenen in het kattenblad Kattenmanieren (5-2002), auteur Esther Verhoef.

                                    

  Invloed van vroege moeder- jongscheiding en andere factoren op probleemgedrag bij katten


Ondanks het feit dat kattengedragsdeskundigen al vaker het idee hebben geopperd dat probleemgedrag bij katten voor een deel te wijten zou zijn aan het te vroeg scheiden van kittens van hun moeder en nestgenoten, is dit gegeven op wetenschappelijk gebied nog nagenoeg onontgonnen terrein. Toen gedragstherapeute Marcellina Stolting haar collectie jarenlang zorgvuldig verzamelde data over katten met probleemgedrag aanbood om te gebruiken voor wetenschappelijke doeleinden, werd dit voorstel dan ook in dank aanvaard. In samenwerking met de Universiteit Antwerpen en de KaHo Sint-Lieven voerde de studente dierenzorg Nathalie Slootmans een eerste verkennend onderzoek uit aan de hand van deze data. Het moet gezegd dat zij dit schitterend heeft gedaan. Haar onderzoek zal de basis vormen voor een verdere studie naar de effecten van leeftijd van wegname van kittens uit het nest op latere gedragsproblemen. Ondertussen wil ik u de preliminaire resultaten niet onthouden en vertel ik u graag wat meer over het onderzoek.


Het verband tussen de leeftijd waarop een kitten wordt weggenomen van het moederdier (plus een aantal andere factoren) en probleemgedrag in het verdere leven van het dier werd onderzocht aan de hand van 315 dossiers, opgesteld tussen september 2004 en juni 2008. De meeste katten uit de steekproef waren gespeend 1 tussen 6 en 13 weken, wat in de tijdsrange valt die normaal in de Benelux wordt gehanteerd. 45,71% van de katten was van particuliere afkomst, 25,71% van een fokker, 13,65% van een boerderij en 14,92% had een afkomst anders dan de voorgaande.


Aangezien door de aard van de data alle katten sowieso probleemgedrag vertoonden, werd gekeken naar het verband met de som van het probleemgedrag. Hiertoe werd voor elke categorie van probleemgedrag (o.a. angst, agressie, onzindelijkheid…) een score toegekend per kat. Zo kon voor elke kat een ‘hoeveelheid’ probleemgedrag bepaald worden. De meest voorkomende problemen waren angst (n=109), stress (n=73), agressie (n=64), intraspecifieke agressie (n=36), sproeien (n=68) en onzindelijkheid (n=59).


Er bleek inderdaad een negatieve correlatie te zijn tussen speenleeftijd en probleemgedrag: hoe jonger de katten gespeend waren, hoe groter de som van het probleemgedrag was. Dit betekent dat hoe vroeger een kitten van het moederdier werd weggenomen, hoe meer probleemgedrag het op latere leeftijd vertoonde. De katten afkomstig van een fokker vertoonden het minste probleemgedrag. Dit kan eventueel een aanwijzing zijn naar de optimale speenleeftijd omdat fokkers hun kittens over het algemeen tot minstens 13 weken bijhouden.


Naast speenleeftijd werden nog andere factoren bekeken die kunnen bijdragen aan het ontstaan van probleemgedrag. Zo bleken leeftijd, geslacht, gewicht en aantal kinderen in het gezin geen invloed te hebben op het probleemgedrag. Gezinnen met slechts één kat hadden meer problemen met deze kat dan gezinnen met meerdere katten. Dit is nog maar eens een aanwijzing dat katten in wezen best sociale dieren zijn. Een ietwat verrassend resultaat was dat hoe meer kattenbakken de katten in totaal ter beschikking hadden, hoe minder probleemgedrag ze vertoonden, maar hoe meer kattenbakken de katten per kat hadden, hoe meer probleemgedrag ze vertoonden. Dit kan samenhangen met het feit dat er dan ook meerdere katten zijn welke onderling meer problemen kunnen hebben.


Zoals u merkt is probleemgedrag bij katten iets zeer complex. Dit maakt het niet eenvoudig om achteraf op te lossen. Wij hopen dan ook dat deze resultaten een eerste stap kunnen zijn naar een beter begrip van het ontstaan van probleemgedrag. Preventief werken is zeer belangrijk! Aan de hand van deze resultaten zouden wij dan ook aanraden om kittens zeker zo lang mogelijk bij de moeder te laten, zodat alvast één factor in het ontstaan van probleemgedrag uitgesloten kan worden.





Els Peeters

Werkgroep Gedragsbiologie

Universiteit Antwerpen  

©2010, Lh v grootel